Dirk Jacobus Balfoort

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dirk Jacobus Balfoort
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Algemene informatie
Geboren Utrecht, 19 juli 1886
Overleden Den Haag, 11 november 1964
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep musicus, musicoloog
bestuurder museum
Bekend van geschriften

Dirk Jacobus Balfoort, vaak aangeduid met Dirk J. Balfoort, (Utrecht, 19 juli 1886Den Haag, 11 november 1964) was een Nederlands muzikant, musicoloog en museumbestuurder.

Hij werd geboren binnen het gezin van toen landmeter Dirk Balfoort en Elisabeth Joanna van ’t Hul. Broer is Co Balfoort. Zijn jeugd bracht hij voor een groot deel door in Pretoria, vader was lid van de Transvaalse legatie. Hij huwde Janna Catharina Odink. Hij werd begraven op Nieuw Eykenduinen.

Hij kreeg zijn muzikale opleiding begon in Pretoria. Daarna volgden conservatoria van Brussel en Amsterdam. Hij was een leerling van Evert Cornelis en André Spoor. In 1907 was hij terug te vinden als eerste violist binnen het Residentie Orkest. In 1909 ging hij mee met het Gewerbeorchester uit Leipzig mee op Amerikaanse en Canadese tournee. Bij terugkomst werd hij violist en concertmeester in orkesten uit Dortmund, Lübeck, maar ook Zwitserland. In 1920 kwam hij terug in Nederland als violist van de Nederlandse (Nationale) Opera. In die periodes gaf hij ook al les in bijvoorbeeld Dortmund en Bonn. Van 1924 tot 1926 was hij docent aan het Rotterdams Conservatorium, even later van het Haags Conservatorium. Hij gaf ook privéles.

Hij was voor langere tijd verbonden aan het Muziekmuseum Scheurleer, dat hij samen met bankier Daniël François Scheurleer en diens nakomelingen uitbreidde. De collectie had te maken met slechte cijfers en werd in 1935 opgenomen in het Gemeentemuseum van Den Haag. Balfoort werd daar conservator, later hoofdconservator en adjunct-directeur. Hij verzamelde in die functies tal van verzamelingen betreffende het Nederlandse muziekleven uit de 17e en 18e eeuw. Met een in 1942 opgericht orkest (Museum-Kamerorkest, later uitgebreid met koor) voerde hij die werken ook deels uit. De zogenaamde museumconcerten lieten ook hedendaagse muziek horen van bijvoorbeeld Ton de Leeuw en Alex Voormolen. In die Tweede Wereldoorlog was hij leider van het gemeentemuseum in verband met de gijzeling van G. Knuttel en wist kunstwerken uit handen te houden van de Duitsers.

Van zijn hand verscheen een aantal publicaties (artikelen, studies, boeken):

  • De viool en haar meesters (naar Wilhelm Joseph von Wasielewski), uitgeverij Philips Kruseman, Den Haag, 1926
  • Het probleem van de vioolbouw (circa 1930)
  • De Hollandsche vioolmakers (1931)
  • tentoonstellingscatalogus Nederlandsch Muziekleven van 1600-1800 (1936)
  • boek: Het muziekleven in Nederland in de 17de en 18de eeuw; uitgegeven door P.N. van Kampen en Zoon, 1938, opgenomen in de Nederlandse Basisbibliotheek
  • Een monografie over Quirinus van Blankenburg (1938)
  • De Europeesche blaasinstrumentenmakers (1940)
  • De geschiedenis van de Koninklijke hofkapel van 1820 tot 1832 (1943)
  • Antonius Stradivarius (1947)
  • De voornaamste exotische strijkinstrumenten/Eigenartige Musikinstrumente, uitgegeven bij Philip Kruseman, 1931